Schelden met Luddieten.

Soms noemen we mensen iets dat negatief lijkt, maar dat bij nader inzien helemaal niet hoeft te zijn. Stoïcijn bijvoorbeeld. We kunnen veel leren van de Stoïcijnen die bij nadere bestudering helemaal niet koud en emotieloos blijken maar juist meenden zo veel mogelijk van het leven te kunnen genieten door zich alleen iets aan te trekken van dingen waar zij daadwerkelijk invloed op hadden.

De luddieten

Luddiet is nog zoiets. Vaak gebruikt door mensen die denken dat ons leven aangenamer wordt door nog meer hersenverwekende techniek om mensen aan te duiden die hier niet zo juichend tegenover staan.

Wie waren de luddieten?

De mensen die weten wie de Luddieten waren, hebben geleerd dat het een stel gemene oproerkraaiers waren die de weefgetouwen van arme, hardwerkende fabriekseigenaren sloopten. En zoals wel vaker in onze geschiedenisboeken werd ook dat verhaal nogal verdraaid, of er is op zijn minst een deel tactisch verzwegen.

Allereerst: de naam Luddiet komt van de persoon Edward (Nedd) Ludd. Die was lui en kreeg hiervoor fysieke straf van zijn baas. Om hem terug te betalen, timmerde hij een aantal weeframen in elkaar. Als er ergens iets kapot ging aan een weefgetouw, zei men ‘oh, dat heeft Ludd gedaan’.

Leve de revolutie

De industriële revolutie is pas 250 jaar geleden begonnen. Daarvoor waren veel mensen zelfstandig werkers. De middeleeuwen (de Dark Ages) worden vaak voorgesteld als een gruwelijke periode waarvan we gelukkig zijn gered door de industriële revolutie die ons zo veel goeds heeft gebracht. Misschien moeten we dat met een korreltje zout nemen.

Textielwerkers

Mensen die textiel vervaardigden tot 1750, hadden een aangenaam leven met een grote autonomie. Zoals veel mensen in die tijd. Mensen werkten vanuit huis en het hele gezin hielp mee. De kleine kinderen bijvoorbeeld met het schoonplukken van de wol, oudere kinderen met spinnen, de vader werkte met het weefgetouw. Mensen uit de buurt hielpen indien nodig, ruilhandel was nog levendig dus niemand schoot erbij in. Als de textielwerker scheel was van het geweef, kon hij zijn moestuin schoffelen, hout hakken of het bos om te jagen. Of bier drinken. Dat verhaal over dat het water niet drinkbaar was: geweldig verzonnen ;)

Zelfvoorzien

Het is typisch dat we ‘voorzien in je eigen behoeften’ zijn gaan zien als iets negatiefs. De mensen toen beseften dat er geen zekerheden waren en zo lang er gegeten kon worden en bier gebrouwen was het leven goed. Men leefde meer bij de dag, zelfs de tijd was nog een lokale aangelegenheid.

Voegt het echt zo veel toe om alles wat je zelf kan uit te besteden aan anderen en vervolgens tot je 71e te sloven voor je auto, je grote huis, je kleding, je verzekeringen, je dure reizen en al die andere dingen die de wereld tot een minder fijne plek maken?

Misschien is het onze fout om mensen die niet leven zoals wij, automatisch te betitelen als arm, derdewereld of sloeber. Dat mensen langer bezig zijn dan wij in het voorzien van hun noodzakelijke behoeften, maakt ze niet ‘arm’. Integendeel, denk ik.

Oh ja. Ik dwaal af.

En toen kwam de industriële revolutie. Het begon met de stoommachine, die eerst van pas kwam in de mijnbouw. Na een paar aanpassingen kon deze eind 18e eeuw ook in fabrieken als aandrijving worden gebruikt. Door gebruik in textielfabrieken kon veel goedkoper en sneller kleding worden gemaakt, maar een mechanisch weefgetouw maakte ook nagenoeg alle textielwerkers werkeloos, en daarmee verdween ook de broodwinning en raakten de gezinnen in armoede.

Ondertussen veranderde het stadsbeeld. Er kwamen onpersoonlijke, grote, herriemakende fabrieken die hele steden onder de zwarte troep spuugden.

Mensen moesten zich aanpassen aan de werktijden van de fabrieken en toen de gloeilamp eenmaal was uitgevonden, was er helemaal geen excuus meer om korter dan 14 uur te sloven voor de eigenaar van de fabriek. Als je nog werk had. Fabrieksbazen hadden er geen enkele moeite mee om kinderen van zeven jaar te werk te stellen in fabrieken. Kinderen die dankzij die fabriek werkloos geworden vader niets meer te eten hadden.

Opstand dus.

De textielarbeiders die hun banen waren verloren, pikten dit niet langer. Ze drongen fabrieken binnen en begonnen met het vernielen van machines. De opstanden werden bruut neergeslagen door de overheid en door fabrieken ingehuurde vrijwilligers.

Vervolgens werd het vernielen van fabriekseigendommen bij wet strafbaar met de dood. Ondanks dat, verspreidde de beweging zich rap door Noord Engeland. Door de enorme hoeveelheden ‘handhavers’ die naar het gebied werden gestuurd, leek het voor de mensen meer op leven in oorlogsgebied.

Uiteindelijk werden veertien mensen opgehangen op 16 januari 1813, in de naam van ‘de vooruitgang’. De straffen, waaronder ook lange opsluiting en verbanning (naar Australie) zorgden ervoor de beweging uiteindelijk stopte.

Lord Byron (ja, De Lord Byron) hield nog een uitvoerig pleidooi in het House of Lord voor de Luddieten en tegen de onevenredig zware straf die ze kregen, want zo kan je ophanging wel noemen. Een paar stukjes, voor degenen die nog niet zijn afgehaakt.

…it cannot be denied that they have arisen from circumstances of the most unparalelled distress. The perseverance of these miserable men in their proceedings, tends to prove that nothing but absolute want could have driven a large and once honest and industrious body of the people into the commission of excesses so hazardous to themselves, their families, and the community

Considerable injury has been done to the proprietors of the improved frames. These machines were to them an advantage, inasmuch as they superseded the necessity of employing a number of workmen, who were left in consequence to starve. By the adoption of one species of frame in particular, one man performed the work of many, and the superfluous labourers were thrown out of employment.

The rejected workmen, in the blindness of their ignorance, instead of rejoicing at these improvements in arts so beneficial to mankind, conceived themselves to be sacrificed to improvements in mechanism. In the foolishness of their hearts, they imagined that the maintenance and well doing of the industrious poor, were objects of greater consequence than the enrichment of a few individuals by any improvement in the implements of trade which threw the workmen out of employment, and rendered the labourer unworthy of his hire.

When we are told that these men are leagued together, not only for the destruction of their own comfort, but of their very means of subsistence, can we forget that it is the bitter policy, the destructive warfare, of the last eighteen years, which has destroyed their comfort, your comfort, all men’s comfort;—that policy which, originating with “great statesmen now no more,” has survived the dead to become a curse on the living unto the third and fourth generation! These men never destroyed their looms till they were become useless, worse than useless; till they were become actual impediments to their exertions in obtaining their daily bread

You call these men a mob, desperate, dangerous, and ignorant; and seem to think that the only way to quiet the ‘Bellua multorum capitum’ is to lop off a few of its superfluous heads. But even a mob may be better reduced to reason by a mixture of conciliation and firmness, than by additional irritation and redoubled penalties. Are we aware of our obligations to a mob! It is the mob that labour in your fields, and serve in your houses—that man your navy, and recruit your army—that have enabled you to defy all the world,—and can also defy you, when neglect and calamity have driven them to despair. You may call the people a mob, but do not forget that a mob too often speaks the sentiments of the people.

But suppose it past,—suppose one of these men, as I have seen them meagre with famine, sullen with despair, careless of a life which your lordships are perhaps about to value at something less than the price of a stocking-frame; suppose this man surrounded by those children for whom he is unable to procure bread at the hazard of his existence, about to be torn for ever from a family which he lately supported in peaceful industry, and which it is not his fault than he can no longer so support; suppose this man—and there are ten thousand such from whom you may select your victims,—dragged into court to be tried for this new offence, by this new law,—still there are two things wanting to convict and condemn him, and these are, in my opinion, twelve butchers for a jury, and a Jefferies for a judge!”

Is er veel veranderd? De regering die de kant kiest van het grote kapitaal, de machtige fabriekseigenaren en de gewone mensen laat verkommeren? Ik denk het niet.

We hebben het fabrieksmatige onderwijs, dividendgate, een heel leger van mensen dat werkt voor de rijkdom van een of een paar mensen terwijl de wereldbol verpletterd wordt door onze nijverheid, machtige wapenfabrikanten en bouwbedrijven die ernstig garen spinnen bij oorlog, dood en verderf, bedrijven die machtiger zijn en meer schade aanrichten dan de grootste legers uit de geschiedenis, bedrijven die complete beleidsnota’s voor de Europese Unie schrijven, sleepnetten, door de boerenbank gefinancierde mega-varkensstallen, pensioenfondsen die je geld vergokken omdat sommige mensen nooit iets leren en wel… kijk maar om je heen. Ik zie weinig menselijks in fabrieken, bedrijfspanden, winkelcentra, wooncomplexen, snelwegen en andere moderne dingen.

We hebben geen overheid die er is voor de mensen. Wel heel veel mensen die er zijn voor de overheid. De overheid is voor bedrijven, wiens producten we vervolgens gedwongen zijn af te nemen omdat er amper meer een andere keuze is. De overheid is er om ons allemaal in het zelfde systeem te proppen, de zelfde dingen te laten doen en de keuze voor een Renault of een Citroen te verkopen als vrijheid.

Zo lang we nog door anderen worden voorzien van eten, drinken en onderdak, zullen we niet zo snel gaan rebelleren tegen de mensen die ons bovengenoemde crap door de strot schuiven. Maar dat zouden we wel moeten. Vind ik. Aan de andere kant: het is vermoedelijk toch al te laat.

Advertenties